In: Theologisch Debat, december 2007 (4), nummer 4.
(Met dank aan Frans Vosman voor zijn toestemming tot publicatie ook hier.)
Mijnheer mijn vader die 97 is geworden, bleef tot op hoge leeftijd de dood betreuren van Jan, zijn ‘tuinvriend’. Jan was pas 64 toen hij plots stierf. Hij had allerlei banen gehad, was als zoon van een boerengezin bij zijn moeder blijven wonen, en had haar tot haar sterven gezelschap gegeven en haar voor vereenzaming behoed. Na haar dood trouwde hij pas en die ‘trouw’ duurde dus niet lang. Deze kleine, tanige, sterke en zachtmoedige buitenmens had een grote, meer dan schitterende tuin – met onder meer verbascum nigra, een plant zo mooi dat de grootste twijfelaar ferm aan God gaat geloven.[1] Jan’s leven in Oost Brabant was het tegendeel van levensplanning en levensproject.
Ik begreep –denk ik- wel waarom mijn Vader hem als vriend hoog waardeerde en waarom rouwen dus moest: Jan was in al zijn vezels met het leven verbonden, blij met de regen en met de zon. Hij was behalve een tuinier ook een vogelaar. Maar hij was ook een man die op jacht ging, als er teveel wild was in het gebied waar hij voor moest zorgen; daar kwam hij weer aan met een geplukte fazant. Jan leefde het leven op levendige wijze; hij was daarbij zeer zich zelf. ’Unne schònne mens’, in het Brabants, tegelijk ook een moreel door en door goede mens. Hij was een man die niet autonoom was en niet reflexief authentiek. Hij plande niet, was eigenlijk verrast toen mijn vader hem hielp het wél een keer te doen zodat hij vakantiedagen spaarde om één keer in zijn leven naar Canada te reizen om zijn geëmigreerde familie te bezoeken. Een “móóie reis”. Maar als ’t niet was geweest, was ’t ook goed. Hij vertrouwde zich dag in dag uit, in zomer en in storm, aan het leven toe. Op een dag was hij dood. Behoorlijk versleten eigenlijk. Een beter vriend dan Jan kún je niet hebben. Hij was voor mijn Vader na dertig jaar kameraadschap nog vijf en twintig jaar een dode vriend.
Zou het nieuwe boek over ouderen van de Kampense ethicus Frits de Lange De mythe van het voltooide leven. Over de oude dag van morgen (Meinema, Zoetermeer 2007) ook gaan over zulke ‘gewone ouderen’ zoals Jan en over hoogbejaarden zoals mijn Vader, die hoogstens grinniken om het Zwitserleven-gevoel, kortom over de ouderen over wie beleidsmakers het niet willen hebben, omdat ze zo onaanstuurbaar zijn?[2] Omdat De mythe van het voltooide leven een theorie van individuele moraal is leek het me mogelijk dat het ook over gewone en heel oude ouderen zou gaan, sterker nog dat hun verwijdering uit de lichtcirkel opgemerkt en gekritiseerd zou worden.
De Lange heeft met De mythe van het voltooide leven een mooi boek gepubliceerd, over ‘ouder worden, maar hoe dan’. Eigenlijk moet ik schrijven: hij heeft wéér een mooi boek geschreven, wederom helder wat betreft de normatieve positie die hij in wil nemen, en opnieuw helder geschreven. Het is ook een boek dat in het verlengde ligt van zijn al langer lopende interesse en van zijn eerdere boeken, bijvoorbeeld over individualisme. De interesse van De Lange als ethicus lijkt mij steeds te zijn: maximaal moreel waarderen van en meegaan met de waarden van laatmoderne mensen, zoals –in dit boek- het verlangen om autonoom en authentiek te leven. De Lange waardeert beide positief en hij voert een duidelijk pleidooi aan het adres van ouderen om zich zelf het ouder worden eigen te maken en met de rug naar het sterven te lopen of te varen (160), door evenwichtig, verantwoordelijk voor zichzelf en voor anderen, gericht op het leven te leven (10). Hij geeft een schets van een mogelijk ethos voor ouderen die een moreel goed leven willen leiden. Het boek is een voorstel aan aanstaande ouderen om over hun ouderdom te gaan denken als evenwichtskunst binnen het groter bestek van een (moreel) goed leven met en voor anderen. Dit is belangrijk om te beseffen: het gaat niet om beleidsethiek, niet om moreel verantwoord beleid voor en over ouderen, al weet De Lange ook wat dat betreft van wanten en heeft hij de afgelopen jaren menige kritische noot gekraakt ten aanzien van overheidsnotities over bejaarden, met name op het punt van de morele vooronderstellingen van beleid (196).
Het gaat hem, daarbij onder meer in gesprek met gerontologie en haar verholen moraal, om een zogenaamde brede moraal: de vraag mag aan de orde komen wat goed leven dan wel is vóór de morele vragen aan bod komen wat ouderen moeten doen of laten. Stellig zal hij veel lezers vinden, die zich kunnen scherpen aan de gedachtegang – want een stap voor stap gezette opbouw van gedachten is het, waarbij je ook onderweg kunt kijken hoe ver je meer gaat..
Ik schets nu dadelijk eerst de hoofdgedachten uit het boek, probeer ze bovendien ook met terughoudendheid in reliëf te brengen. Vervolgens formuleer ik enkele vragen. Ik voel me daartoe deels gemachtigd omdat ik op vragen terug zal komen die De Lange zelf stelt, zoals: is het voorgestelde ethos niet dat van witte westerse middenklasse mannen? Gaat het over de “ethische mythe van de liberale burgerman” (73)?. Anderdeels voel ik me als vakgenoot gemachtigd vragen stellen bij het pleidooi voor ‘aan het leven toegewijde ouderdom’: waaróm zouden (de concepten) bewustzijn en verantwoordelijkheid (die De Lange beide een belangrijke plaats geeft in zijn ethos van ouderen) voor zo belangrijk gehouden moeten worden? Immers, een ethos dat per saldo daarop rust sluit de vele ouderen (en andere mensen) uit wier leven niet aan dat antropologisch criterium voldoet (‘bewustzijn-hebben moet’) en die de morele waarde verantwoordelijkheid helemaal niet hoog achten en toch (moreel) goede mensen zijn. Wanneer ik dit radicaler (want niet op een afzonderlijke categorie ouderen georiënteerd) in vraagvorm formuleer: zijn mensen niet steeds, van zuigeling tot hoogbejaarde, achteruitvallende wezens? Gaat er aan verantwoordelijkheid nemen en aan reflexief bewustzijn niet een moreel relevante en voor het goede leven beslissende laag vooraf? Om het met de protestantse filosoof Paul Ricoeur te formuleren, die zelf bepaald niet wars was van verantwoordelijkheidsethiek: handelingsvermogen rust op breekbaarheid; dat geldt voor flitsende captains of industry (die mirabile toch ook oud zullen worden én minder flitsend) maar ook voor mensen die wij ‘dement’ noemen, voor indrukwekkend vitale VMBO scholieren én voor de niet weinigen die voor de 65 al zijn bezweken. We zijn niet allemaal ziek, zwak en misselijk, wel allemaal broos en breekbaar. Bewustzijn, willen, kiezen, verantwoordelijkheid, ze rusten op een door allen gedeelde bestaanslaag: namelijk ‘passibele’ (een neologisme van Ricoeur), letterlijk lijdelijke, ondergaande wezens te zijn. Vóór we handelen ondergaan we het leven, ook zonder hoog tweede graads bewustzijn. Is er wel een ethos van ouderen mogelijk zonder een (politiek-ethische) erkenning van anderen jegens ouderen (‘hee, een mens-van-ons’) en zelf-erkenning (‘ik ben breekbaar als ieder ander’). Ik kom er op terug. Een ethiek van het goede leven, ook van en voor ouderen, is niet enkel een individuele of groepsethiek, maar ook steeds een volwassen politieke ethiek.
Ten aanzien van de theologische laag in het boek van De Lange zal ik de vraag opwerpen of het idee van het vervulde leven dat hij aanhangt niet gedoopt moet worden; is de onaangename wijsheid van het christelijk leven niet dat het om een verzoend leven gaat?
- de mythe van het voltooide leven
Er zijn in Nederland en vergelijkbare andere Noord Atlantische landen niet alleen meer ouderen, absoluut en percentueel, ze zijn vooral ook anders, vitaler en individueler oud: er is een ‘antropologische revolutie’ gaande (8). Ouderen van nu maken een ouderdom mee die nooit voor hen is geleefd en waarover zij dus ook geen overlevering, geen receptuur hebben ontvangen. De Lange spreekt met een verwijzing naar de ethische concepten ‘goederen’, ‘hypergoederen’, ‘moral frameworks’ en authenticiteit van Charles Taylor (57) van een ‘netwerk’ van zes individualiteitswaarden waardoor ouderen zich laten leiden. Deze waarden zijn de coördinaten waarbinnen ouderen leven. Niet levensfasen en leeftijd op zich doen er toe, maar hoe ouderen zich tot het leven en waarden verhouden. De geleefde waarden –ethos dus- zijn: de intrinsieke waarde en waardigheid van het individu; zelfbepaling; verantwoordelijkheid; zelfontplooiing; uniciteit en privacy (58). Daarnaast zijn er drie andere waarden die ouderen met elkaar delen en met anderen: rechtvaardigheid, caritas en rationaliteit. De Lange stelt –ik deel dit met hem- dat ondanks al het praten over moreel pluralisme er feitelijk veel gedeelde waarden zijn, zelfs een gedeeld moral framework, bij alle verschillen die er ook zijn tussen mensen en groepen die uit tradities en culturen leven. Anders gezegd, ook in verband met het ethos van ouderen past geen relativisme (‘iedere oudere denkt daar toch anders over’). Frits de Lange gaat dan een stap verder: het netwerk van individualiteitswaarden vertegenwoordigt “een krachtig ideaal”en stelt dat het “goed is dat we ons daar in het Westen voor inzetten”. Ethos wordt zo normatief. Nu is de denkstrategie van De Lange zo dat hij eerst bevestigt en daarna aan de hervorming en het bijsleutelen begint. Authenticiteit is allereerst een geaccepteerd moreel ideaal; zo ook trouwens uniciteit van de mens. De hervorming begint doordat hij de waarden in een deugdethiek wil vervatten. Individuele waarden mogen gelden, mits… Mits zij aan een aantal voorwaarden voldoen (75), om ingebed te zijn in de deugden van evenwichtigheid en praktische wijsheid betrachten. “Mensen zijn bezig goed oud te worden…als zij binnen de nieuwe situatie waarvoor de ouderdom hen stelt een redelijke balans (5) weten te vinden tussen (1) de legitieme vervulling van hun natuurlijke behoeften, (2) de eisen die hun rol binnen de gemeenschap waarvan zij deel uitmaken aan hen stelt, (3) hun morele actorschap en (4) de wijze waarop zij in staat zijn hun bestaan een transcenderende betekenis te verlenen.” Deugdethiek kadert het “individualiteitsideaal”, volgens De Lange (78). Hoewel de vader van de (Westerse) deugdethiek, Aristoteles, aan een “biomorfe” en “naturalistische”denkwijze leidt (92-93; 97-99) is zijn deugdethiek toch bruikbaar in het “ethisch humanisme” van De Lange (100). (Hoe het dan met de teleologie van Aristoteles’ethiek verder moet gaan wordt niet helemaal duidelijk).[3] Een belangrijk deel van het boek vormt de poging van De Lange om na de waardering voor authenticiteit als een sturend moreel goed voor ouderen helderheid te verschaffen over zelfontplooiing, zelfvoltooiing en zelftranscendentie. Meer dan de concrete propositie die andere ook hadden gedaan, dat ouderen hun activiteiten niet in levensfasen meer moeten opstapelen (opvoeding, dan werk, dan ontspanning) maar als drie peilers naast elkaar onder hun leven moeten behandelen (171), en dat tot hoge leeftijd (exit ‘met 65 met pensioen’) is deze reiniging van het begrip authenticiteit op zijn morele houdbaarheid interessant. Ik beschouw het als de belangrijkste vrucht van het boek, in het bijzonder de aandacht die wordt gevraagd voor intergenerationaliteit. Authenticiteit gaat niet zo maar ongebreideld regeren. Het authentieke zelf integreert zelf de wederwaardigheden van haar of zijn leven: het ordent zichzelf (104), op een reflexieve (maar niet per se rationele) wijze (107). De Lange neemt echter maximaal afstand van het idee van het levensproject en het ‘zelfgekozen levensplan’: De Lange, zelf jazzmusicus, gebruikt zeer bewust het beeld van de jazzimprovisatie: de oudere speelt zijn muziek rondom de thema’s van zijn/haar leven, past zich aan aan de andere instrumenten, maar symfonisch is het niet: het leven leent zich immers niet voor totaalregie (110). Het leven is als een jamsessie: repetitief en innovatief. Zelfverwerkelijking is ingaan op de mogelijkheid iets met je leven te willen, als het kan boven het simpele overleven uit (109). Zelfverwerkelijking, aldus opgevat, is een normatief beter ideaal dan de idee van de zelfvoltooiing; die positie van buiten en van boven heeft een mens immers niet ten opzichte van zijn leven. Een ander beeld is dat van de zeiler: die stuurt, neemt de golven en de wind zoals ze zijn en ontneemt ze door zijn stuurmanskunst hun grilligheid (34). Een derde beeld is dat van de het leven als compositie, maar dan alleen een die een mens enkel achteraf kan constateren: er zat, zit meer leidende melodie in dan ik zelf dacht (112).
Interessant is dat uniciteit van de mens als moreel ideaal, door De Lange evenzeer geaccepteerd als authenticiteit, niet zo gemodificeerd hoeft te worden; de onderbouwing van het belang van uniciteit is ook anders: niet uit ethos maar omdat diverse tradities deze waarde omhoog hebben gestoken (90-91), waaronder met name de Reformatie. Uniciteit, of de intrinsieke waardigheid van het individu (18) wordt niet beklopt op zijn houdbaarheid of misleidende werking. Ik noteer dit omdat in de hele redenering het christelijk geloof vooral langszij wordt getrokken als cultureel zeggingsvol (91). De Lange heeft ter zake een ferme overtuiging waarom dat zo moet: “Een integrale visie op goed leven moet ruimte laten voor meerdere oriëntatiekaders” (70), niet alleen christelijke, niet alleen gelovige. Het christelijke geloof houdt zo’n waarde uniciteit hoog en behoedt haar en dan is het verstandig die niet weg te gooien. Maar andere tradities vinden uniciteit ook van belang. Zo help het christelijk geloof aan zelftranscendentie en aan transcenderende zingevingkaders (72), maar dat doen meer tradities; transcendentie van het ik is verstandig en belangrijk om niet in solipsisme verstrikt te raken. Het typisch theologische, God om God ter sprake te brengen, kritische reflectie op geloof in de eerste modus, ‘eer zij U God’, of op geloof in de laatste modus, ‘zijt Gij niet veeleer niet’, speelt –zover ik kan zien- in het hele boek geen rol, totdat de fundamentele verhouding van het individu tót God ter sprake gebracht wordt, als Kierkegaard in het boek namelijk de muziek gaat bepalen.
Het hiervan onderscheiden niveau van het geloof komt één keer naar voren, wanneer de gelovige Frits De Lange Gezang 1 uit het Liedboek der Kerken aanhaalt: “God staat aan het begin / en Hij komt aan het einde. Zijn woord is van het zijnde / oorsprong en doel en zin” (72). Dit speelt een rol om het nut van het christelijk geloof als transcendentie leverancier te illustreren, wordt niet tot theologische locus, ook niet via een liturgische theologie: wat geloven wij als wij de Heer ‘oorsprong en doel en zin’ noemen?
Het meest praktische voorstel van De Lange, om niet in de tijd gestapeld maar in kolommen naast elkaar met scholing, arbeid en vrije tijd om te gaan, gaat gepaard met een positief normatief idee van arbeid. Arbeid dient zelfverwerkelijking, ook al is er veel rot arbeid. Weliswaar gebruikt De Lange hier Marx (169-174), maar dan wel zonder diens inzichten in de verhouding tussen arbeid en kapitaal, en in de Verdinglichung dankzij het kapitalisme en zonder marxistisch geïnspireerde ideeën over mondialisering en arbeid (E. Wallerstein bijvoorbeeld).
Tot slot van deze korte weergave en typering moeten we het hebben over De Lange’s Kierkegaard. Door heel het boek van 200 bladzijden en in een apart hoofdstuk, Hoofdstuk 4, Kiezen voor de eindigheid – ouder worden met Kierkegaard, het langste hoofdstuk ook (116-161) speelt Kierkegaard een sturende rol. “Ieder mens afzonderlijk wordt uitgenodigd om op vertrouwelijke voet te leven met God. Ieder mens bezit een waarachtig, oneindig zelf. Dat zelf is geen substantie of essentie maar toont zich in de verhouding die ik tot mijn eindige zelf inneem. We bezitten het oneindige zelf alleen in de hartstochtelijke wil om het te verwerkelijken. Het zelf is een van zichzelf bewuste verhouding” (146). Eigenlijk staat hier in vijf regels, op Kierkegaard geënt, de dragende idee van De Lange bijeen, voor een ethos van ouderen van belang, maar eigenlijk van nog bredere strekking.
- Willen of leven?
Ik begin mijn vragen bij het laatste, de theologie en de morele antropologie waar De Lange het op gooit. We komen dan via De Lange bij Kierkegaard.
Ik ben nou niet bepaald de eerste die vragen stelt ten aanzien van Kierkegaard’s morele antropologie. De wil, ja zelfs de “hartstochtelijke wil”, en reflexief bewustzijn spelen er een grote rol in. Over de geweldige upswing van de wil in de moraal bij romantische denkers als Nietzsche, Schopenhauer en Kierkegaard is de laatste decennia al veel geschreven, variërend van Paul Audi tot Alasdair MacIntyre.[4]
Ook wanneer we Alasdair MacIntyre’s lezing van Kierkegaard niet volgen, waarin deze de ‘radicale keuze’ kritiseert die Kierkegaard in zijn ethiek-ontwerp zo’n belangrijke plaats geeft vallen er wel degelijk vragen te stellen bij deze morele antropologie (ik heb dat eerder geprobeerd te doen[5]). Frits de Lange geeft er zich ook zelf rekenschap van dat zoveel nadruk op het wilsvermogen problematisch kan zijn(135), maar geeft er een soort van theologisch, geen theologisch ethisch commentaar op: “we stuiten hier op een religieuze dimensie in Kierkegaards visie op het zelf”(136). Misschien wordt het religieuze element wel het meest treffend verwoord in een citaat dat De Lange aanhaalt uit Of/Of van Kiekegaard ”ik heb je… in het leven geroepen, iets gegeven om te willen of om van af te willen, maar ieder personage gaat op een gegeven moment zijn eigen gang”. Alles draait om de wil en de treurnis van het individu het niet bij het eigen, krachtige willen te kunnen laten en schuldig te worden: wil en vertwijfeling (143-144). Ik wil de vraag opwerpen of juist vanuit een theologische ethiek deze theologische antropologie niet bekritiseerd moet worden, door middel van twee verschillende vragen: wordt het geloof er recht mee gedaan, is er een vermenselijkende moraal mee op te bouwen? Kierkegaard wil van de esthetische fase (het eerste Of) naar de morele fase, de fase van “de keuze om te willen” (het tweede Of). Met het oog op het goede leven, ook het goede leven van ouderen, wil ik vragen of de eerste laag, van de esthetiek, niet een blijvende laag is. In de esthetiek, de gewaarwording van mooi en lelijk en al haar modaliteiten, is het namelijk het besef van aantrekkelijk en afstotelijk aanwezig. In die gewaarwording schuilt intelligentie: er is een intelligere van wat als een goed en als een kwaad verschijnt. Dat gaat niet recht toe, recht aan. In een jamsessie kan ook dissonantie aantrekkelijk zijn, treffend, en niet alleen die ontroerende mooie melodielijn die door instrument na instrument wordt overgenomen, wanneer er gejammed wordt op bijvoorbeeld Summertime van Gerswhin. Anders gezegd, voor de moraal gaat de deelname aan het voortvloeiende leven. Een fenomenologische laag gaat vooraf aan een morele laag. Dat lijkt mij theologisch van groot belang: geloof gaat niet op in een morele antropologie, ook niet als het over het aansprekende ego en een God die vertrouwvolle omgang aanbiedt. Om moraal op te bouwen gaat het er niet om meteen in ethos te starten (zoals De Lange lijkt te doen) maar om de verschillende interpretaties van de fenomenologische laag, daarbij de christelijke interpretatie van de stroom van het leven, van dood en geboorte enz.: de christelijke traditie geeft interpretatie naast vele andere tradities; op het punt van dit pluralisme (tradities in meervoud) zijn De Lange het –denk ik- zeer eens. Vervolgens komt pas de moraal aan bod. Ik deel het idee om dan, in deze tweede fase, niet bij waarden en idealen te beginnen, maar bij ethos: bij geleefde, aanvaarde, beproefde morele goederen (of ‘waarden’, zo men wil). Het lijkt me ook ethisch van belang om naar het premorele te verwijzen: het zou kunnen zijn dat we dan omzichtiger naar de verschillende menselijke vermogens kijken en niet op de radicale wil inzoomen. Mensen worden het leven allereerst gewaar, vóór ze iets willen, in de zin van kiezen. Er zijn veel mensen, jong en oud, die het wilsvermogen niet centraal stellen of kunnen stellen, maar wel degelijk een verhouding hebben tot wat zich als goed en als kwaad aandient. Zo zijn er ook velen die geen reflexief bewustzijn hebben uitgebouwd, maar wel degelijk handelen. Deze mensen kunnen goede mensen zijn en aan het gemeenschappelijk goed bijdragen, alleen al door er te zijn en bereid te zijn in de gemeenschap te blijven: zogenaamde dementen, zogenaamde wilsonbekwamen van allerlei ‘soort’. Maar misschien geldt ook ten aanzien van actieve, zeer reflexieve mensen (theologen bijvoorbeeld, of ethici…) dat het idee te moeten kiezen en leiden een moreel misleidend ideaal is: dekt het leiden het lijden, het ondergaan niet zo grondig toe dat het menselijk vermogen van de gewaarwording helemaal uit het zicht verdwijnt? Of beter: als moreel niet relevant uit het zicht wordt gehouden?
Naast deze kritische vraag waarvan menigeen misschien zal vinden dat teveel te de architectuur van de moraal betreft neem ik nog eens een andere invalshoek, een andere deur om in dezelfde kamer van wil en reflexief bewustzijn te komen. Frits de Lange geeft zelf nadrukkelijk aan beducht te zijn voor een moraal van witte, liberale, well to do mannen. Dat is wat hij niet wil; vandaar dat op authenticiteit verantwoordelijkheid maar ook generativiteit wordt geënt. Maar zelfs als ik met De Lange in de Nederlandse context blijf kijken, ben ik zo vrij te betwijfelen dat hij de angst voor values of rich white males zo conceptueel wel effectief bedwongen heeft. In heel de redenering, een boek lang, valt op dat De Lange conflict en strijd als centrale categorie vermijdt. Toch is er een maatschappelijke strijd gaande waarbij achter het zorgjargon (“wij zorgen voor U, zoals U dat wilt”) een boodschap aan ouderen wordt gegeven: verdwijn. Kirsten Emous maakt bijvoorbeeld in haar boek De loden mantel. Zorg en verzorging in Nederland (2005) de strijd mooi duidelijk. Het zorgbeginsel betekent niet dat er naar personen en hun noden wordt gekeken, wel naar abstracte zorgontvangers (die kosten trouwens ook minder). Soms klinkt een aggressiever verholen’ rot op’, wanneer er transgenerationele rekeningen worden opgemaakt: ‘kunnen zo weinig jongeren de kosten wel op brengen voor zoveel ouderen’ (waarbij de tegenrekening niet wordt opgemaakt: de eindeloze stroom geld naar jongeren). Oud worden is strijd voeren en nog al wat ouderen, zeker hoogbejaarden, hebben dan een advocaat nodig, een voorspreker. Scherper geformuleerd, een mooie individuele moraal van en voor ouderen heeft geen bite wanneer de strijd om erkenning niet wordt onderkend. Dan blijken er verschillende strijden gestreden te worden. Ik noem slechts een voorbeeld: voor de vele vrouwen van 50 +, met een relatief lage opleiding is oud worden maatschappelijk en existentieel een ander verhaal dan voor hoogopgeleide mannen, met banen, van 57 +. Arbeid wordt namelijk in snel tempo goedkoop gemaakt, getuige de vrouwen die als alpha hulp of als PGB zorgverleners zonder pensioenrechten in de zorg worden ingezet, in plaats van hun eerdere hoger betaalde arbeid. Dit lijkt mij geen detail maar een ontwikkeling die grondig te denken geeft ten aanzien van flexibilisering én ontrechting. Een politieke en economische ethiek moet de individuele ethiek omvatten én doorkruisen, ook die van wil, reflexief bewustzijn en verantwoordelijkheid-nemen.
Frans Vosman is hoogleraar moraaltheologie aan de Faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit van Tilburg en schreef onlangs: Altijd weer geraakt kunnen worden. Hoogbejaarden en ethiek, in: S. Körver, P. Mulders (red.), Symbolisch bewustzijn – een dynamische kracht. De rol van de verbeelding binnen de geestelijke begeleiding van ouderen, Valkhof, Nijmegen, 2007, 43-55.
[2] Ik verwijs in dit artikel met cijfers tussen haakjes naar de bladzijdes van De mythe van het voltooide leven.
[3] De Lange wijst een ‘natuurlijke’ teleologie af, maar spreekt zelf wel van een ‘innerlijke teleologie’ (138). Hoe die gnoseologisch precies gedacht moet worden (als zoekconcept misschien, zoals bij Mary Midgley?) wordt niet echt duidelijk.
[4] Paul Audi, Supériorité de l’éthique, Flammarion, Paris 20072 ; A. MacIntyre, After Virtue.
[5] F. Vosman, Ethics and Aesthetics. A Critical Evaluation of their Relation, in: W. van den Bercken, J. Sutton (eds.), Aesthetics as a Religious Factor in Eastern and Western Christianity, Peeters, Louvain etc. , 2005, 385-394.
Beste Frits (en Frans),
Toevallig las ik onlangs de kritische bespreking van je boek ‘De mythe van het voltooide leven’ door Frans Vosman. Destijds heb ik je boek met veel plezier en grotendeels instemmend gelezen, ook vanwege de prominente rol die je aan Kierkegaard geeft natuurlijk. Nu valt me op dat Frans’ kritiek op een aantal van jouw stellingnames en aannames precies verloopt via een kritiek op Kierkegaard. Ik kan de kritiek op een te sterke nadruk op wil en bewustzijn volgen en zou ook instemmen met een pleidooi voor de erkenning van het premorele leven, maar het is volgens mij een misverstand om met MacIntyre e.a. te stellen dat Kierkegaard hier de boosdoener is. Zie ook de interessante bundel ‘Kierkegaard after MacIntyre’ van Davenport e.a., waar MacIntyre gecorrigeerd wordt en deze correctie zelf ook ter harte neemt.
Wat zich hier ook wat wreekt is dat je in je boek mede leunt op de Kierkegaardinterpretatie van Cyril Lansink, die het of/of van Of/Of volgens mij ten onrechte eenzijdig interpreteert als een tegenstelling tussen het esthetische en het ethische ten gunste van het laatste. Ik denk dat een dergelijke diachronische lezing van dat boek aangevuld moet worden met een synchronische lezing, waarbij het esthetische, premorele leven ten volle wordt gehonoreerd en zelfs een tegoed houdt op het ethische(waarbij je wel moet bedenken dat het esthetische leven niet zondermeer samenvalt met wat Frans het fenomenale leven noemt). Lansink heeft een mooi boek geschreven, maar daarbij naar mijn idee onvoldoende gebruikgemaakt van hedendaags Kierkegaard-onderzoek, waarin de eenzijdige nadruk op keuze, wil, sprong, bewustzijn, beslissing enz. van de Duitse existentialistische en dialectisch-theologische Kierkegaard-receptie grondig wordt bijgesteld. Ook identificeert Lansink de positie van de rechter volgens mij ten onrechte met die van bijv. Anti-climacus in ziekte tot de dood, iets waarin je hem wat te gemakkelijk volgt (bijv. p. 147). O.a. Vrees en beven staat daar nog als wig tussenin. Een andersoortige correctie van het Kierkegaardbeeld biedt bijv. ook Udo Doedens door juist de notie van het ‘eenvoudige leven’ bij Kierkegaard naar voren te schuiven. Maar zelfs de begrippen keuze, wil en vertwijfeling bij de ethicus staan in het kader van het beamen van een leven dat reeds gegeven is. Binnekort veschijnt van mij een inleiding in kierkegaard waarin ik dit benadruk. Kortom, Frans’ relativering van autonomie, zelfbepaling, zelfsturing, en zelfontplooiing heeft in kierkegaard een bondgenoot. En ik heb je boek zo gelezen dat jij precies ook die relativering wilt aanbrengen, al verbindt je een begrip als zelfsturing volgens mij net iets te gemakkelijk met Kierkegaard. Juist het opbouwende religieuze werk legt veel nadruk op passiviteit, ontvankelijkheid, gelassenheit haast. En dat tegenwicht zou je van mij nog wel wat sterker aan mogen zetten tegen de opgefokte zelfontplooiingsidealen van senioren die hun tweede jeugd willen verzilveren.
Nou ja, deze gedachten kwamen bij mij boven – ik schrijf ze voor de vuist weg. Misschien heb je er wat aan.